Feed on
Posts
Comments

Kinderen worden op veel te jonge leeftijd klaargestoomd voor de kenniseconomie. ‘Dat heeft een averechts effect’, stelt Sieneke Goorhuis-Brouwer, bijzonder hoogleraar Spraak- en Taalstoornissen bij het Universitair Medisch Centrum Groningen. ‘Veel kinderen raken overprikkeld of ontwikkelen een fundamentele onzekerheid die zich uit in allerlei vormen van afwijkend gedrag. Er worden bij ons steeds meer gezonde kinderen aangemeld met vermeende ontwikkelingsproblemen.’ Wilt u reageren op deze opinie? De wetenschappers van de RUG gaan graag met u in gesprek, dus schroom niet om hieronder een vraag te stellen of uw mening te geven. De volledige opinie van Sieneke Goorhuis-Brouwer kunt u hier lezen.

21 Responses to “Opinie prof.dr. Sieneke Goorhuis-Brouwer: Je kunt peuters niet behandelen alsof het al echte leerlingen zijn”

  1. G. Peters zegt:

    Dit is mij uit het hart gegrepen! Ik ben heel blij met deze tendens/geluiden. Mijn kinderen zijn inmiddels volwassen, maar zijn opgegroeid in een tijd/omgeving waarin het kind steeds minder ruimte kreeg en prestaties het belangrijkst waren. Wij stonden en staan daar kritisch tegenover en hebben steeds goed moeten opletten dat de kinderen genoegen ‘eigen’ ontwikkelingsruimte kregen.

  2. Helen zegt:

    Ik ben blij om dit te lezen. Vorige week een gesprek gehad op school over mijn 5 jarige zoontje. Men denkt dat hij niet over kan naar groep 3 omdat hij zich niet lang genoeg kan concentreren. Nu wordt hij bij elke taak en werkje erbij geroepen. Thuis laat hij zien dat hij wel degelijk kan wat de juf hem vraagt maar in de klas trekt hij zijn mond niet open!

  3. Hannes Minkema zegt:

    Mij lijkt de opvatting schadelijk dat per definitie een groep kinderen een ‘achterstand’ heeft. En dus een probleem heeft. En dat we dat probleem dus moeten oplossen.

    Ter vergelijking: gaan we van alle mensen in de Amsterdamse Kalverstraat de lengte meten, en we maken daar een diagram van, dan krijg je een mooie belvormige curve, de normaalcurve: veel mensen met een gemiddelde lengte, minder korte en lange mensen, en véél minder écht korte en lange mensen.

    Veel menselijke eigenschappen zijn zo verdeeld, ook intelligentie en schoolsucces: veel middelmatigen, weinig uitschieters naar boven of beneden.

    Maar bij de kortste mensen in de Kalverstraat spreken we toch niet van een ‘groeiachterstand’? Die mensen gaan we toch niet volproppen met eten en vitaminen om te zien of ze wat langer willen worden? Die mensen zijn gewoon kort, en dat moeten we niet per se willen hoeven veranderen.

    Zo is het ook met kinderen op school. Alle kinderen moeten leren, maar niet alle kinderen hoeven evenveel te leren. Gewoon omdat de een daar beter in is dan de ander. Het lijkt alsof we die simpele waarheid niet willen accepteren, en koste wat het kost de leerlingen met de laagste prestaties een ‘achterstand’ in de schoenen schuiven – alsof ze niet genoeg hun best deden, alsof ze een fout goed te maken hebben.

    Het stigma van de continue ‘achterstanden’, van dat er iets mis met je is, ik zou wel eens willen weten hoe dát uitpakt op een kinderziel. Op de onderwijseconomie pakt het in ieder geval stevig uit, want er gaat behoorlijk wat tijd en geld zitten in pogingen om de ‘achterstanden’ weg te werken, in te halen. We zijn er al aan gewend dat juf en mees en de klassenassistent vooral aandacht moeten geven aan de ‘langzame’ kinderen, de kinderen met ‘achterstanden’. Alsof ze niet evenzeer de juf en de mees en de klassenassistent zijn van de andere kinderen, de gemiddelden en de bijzonder begaafden!

    Ik denk dat we veel beter af zijn door niet steeds relatieve normen aan te houden, waarbij de onderste 25% van de leerlingen altijd ‘een achterstand’ aangewreven wordt. Maar het zou goed zijn als we werkten aan absolutere normen voor kennis- of vaardigheidsniveaus; voor wat kinderen van een zekere leeftijd in het algemeen horen te weten en te kunnen. Dan kan wel eens blijken dat meer dan 90% van de kinderen daar aan voldoet. Of, op een ander domein, maar liefst 50% van de kinderen extra aandacht verdient om bepaalde hiaten weg te werken.

    Op die manier kun je ook een betere aansluiting tussen basisschool en voortgezet onderwijs creëren. Niet door de uitstroom te verdelen in percentages vmbo, havo en vwo, ongeacht wat ze kunnen en kennen. Maar juist door beter af te spreken wat leerlingen moeten kunnen en kennen om naar vmbo, havo en vwo door te stromen. Dat geeft meer inhoudelijke informatie voor een overdrachtsdossier dan een abstracte percentielscore met de interpretatie ‘achterstandskind’.

  4. Yvonne zegt:

    Ook ik ben geraakt door dit artikel. Mijn zoontje van 9 krijgt af en toe zijn werk niet af op school. De juf straft hem dan door hem niet met de rest van de klas mee te laten doen met gym. Dan zit hij dus alleen in de klas z’n werk af te maken, terwijl de rest lekker aan het rondrennen is. Alsof een kind van 9 zo geïnspireerd raakt om eens even lekker door te werken. Ik heb moeite dit met de juf bespreekbaar te maken, zij vindt het belangrijk dat het werk af is en ik vind het belangrijk dat m’n kind kan rondrennen.

  5. M.D. zegt:

    Heel sterk artikel. Ik ben in 2001 afgestudeerd van de pabo (specialisatie jongste kind). Ik heb bijna zes jaar gewerkt met kleuters op een basisschool met vnl. allochtone kinderen. Hier heb ik heel veel geleerd. Mijn overtuiging is dat het reguliere basisonderwijs veel te weinig kind-gericht is. Ik heb bijvoorbeeld heel wat cito-toetsen afgenomen bij 4-,5- en 6-jarigen. Vaak dacht ik: waar ben ik in godsnaam mee bezig? Vooral de jongste kleuters waren helemaal niet toe aan zo’n toets. De uitslag van de toets was altijd zeer bepalend voor het rapport. Het kwam vaak genoeg voor dat een kind een zwak kreeg voor een bepaald vormingsgebied vanwege de toets. Achterlijk! Een nieuwe taalmethode Ik en Ko was zgn. je van het. Zin voor zin stond in de handleiding wat je tegen kinderen moest zeggen en wat je moest laten zien of de kinderen moesten vertellen of doen tijdens de taalactiviteiten. Zeer beperkend voor de creativiteit van leerkracht en leerling. Ik vond de methode extreem frustrerend om mee te werken. Dit is mijn persoonlijke mening. Laat kinderen meer spelen in hoeken en met verschillende materialen. Meer gym. Meer buitenspel. Meer contact met de natuur. Meer liefde en acceptatie en vooral spontaniteit. Waarom een kind zijn natuurlijke gedrag gedwongen afleren? Op veel peuterspeelzalen in de grote steden wordt aan 2-jarigen al lesgegeven op een manier die niet geschikt is voor kinderen van die leeftijd. Allemaal uit angst voor taalachterstanden en wellicht winstbejag (Een uitgever moet natuurlijk ook zijn spullen kwijt). Succesvolle tweede generatie allochtonen zij er. De vraag is: Wat waren nu de factoren die bijdroegen aan het succesvol zijn van alle mensen die uiteindelijk goed terecht zijn gekomen? Laten we ons daar nu eens op richten. Yvonne: Er zijn scholen die meer kind-gericht zijn. Bijvoorbeel montessori-onderwijs, vrije scholen, dalton-onderwijs. Ga eens googelen zou ik zeggen. Als ik directrice was op de school waar je zoon op zit zou ik eens een heel pittig functioneringsgesprek houden met die juf. Gym is geen extraatje maar een essentieel onderdeel van het onderwijs. Mocht zij dit niet kunnen snappen dan is ze wat mij betreft ongeschikt als leerkracht. Succes er mee!

    • Els zegt:

      Verkijk je ook niet op de kind-gerichtheid van Montessori ed.
      Onder druk van CITO-toetsen ed is daar ook veel veranderd, en naar mijn idee niet ten goede. Bovendien is mijn ervaring dat je ook bij deze scholen te maken hebt met een ‘systeem’ dat (in bijna alle gevallen) belangrijker wordt gevonden dan de individuele (leer)behoefte van het kind. Mijn zoon heeft eerst op een Montessorischool gezeten, daarna op een Jenaplanschool, maar in beide gevallen liepen we daar tegenaan. Toen hij 11 was hebben we gekozen voor thuisonderwijs en dan kun je tenminste echt uitgaan van de behoefte van het kind zelf.

  6. Bianca Bijlsma - Smoorenburg zegt:

    De kern van het betoog van Mw. Goorhuis-Brouwer
    Ik begrijp uit het artikel dat de kern van de boodschap van Mw. Goorhuis-Brouwer vooral gaat over de wijze waarop we met jonge kinderen omgaan. Zij pleit ervoor het jonge kind de ruimte te geven om te leren zoals dat bij jonge kinderen het best gaat: op een speelse manier. Dat wil zeggen: het kind wordt niet gevraagd meer of anders te leren, dan het kind op dat moment aankan. Dat is overigens ook de kern van het woord ‘spelen’, het kind zelf bepaalt de inhoud en hoeveelheid van wat wordt geleerd. Hoe vertalen we dat naar de praktijk?

    Kind-volgend werken in plaats van aanbod-gericht
    Mw. Goorhuis-Brouwer bepleit jonge kinderen goed te leren observeren, te leren herkennen hoe jonge kinderen leren. Met deze kennis kunnen pedagogisch medewerkers beter bij de ontwikkelingsbehoeften van het kind aansluiten. Daar ben ik het mee eens. Maar het ‘leren’, als onderdeel van opvoeden moet wel een bepaalde richting uitgaan. We hebben daar allemaal meer of minder bewust doelen bij in ons hoofd. Sommigen dichtbij: binnen doen we sloffen aan en de schoenen gaan onder de kapstok. Of : We zeggen: “dank je wel, als we iets krijgen”. Maar ook: van boekjes buigen we niet de kaften tegen elkaar, want dan gaan ze kapot.

    Blijft een lastig punt over:
    Het kind groeit op in een samenleving die een expliciet kennisbelang heeft, welk belang zij via het onderwijs wil realiseren. Die normen of ambities zijn op landelijk niveau al geformuleerd, en worden steeds bijgesteld. Zie onder ander de referentieniveaus gepubliceerd door SLO. Soms worden de normen geintroduceerd door een methode en tot landelijke norm verheven, zonder dat goed onderzoek naar deze normen heeft plaats gevonden. Deze onderwijsambities worden beinvloed door een internationale omgeving, waarin o.a. de O.E.C.D. landen de onderwijsprestaties met elkaar vergelijken. De normen worden toegepast op het hele onderwijs, of het nu om een jenaplanschool, een montessorischool of om een basisschool met een eclectische benadering gaat. Het behalen van die normen heeft direct gevolg voor het niveau van het vervolgonderwijs, dat een kind mag volgen. Succes in dit onderwijs opent heel wat deuren voor jonge mensen in de samenleving, en bepaalt voor een belangrijk deel wat iemand beroepsmatig in de samenleving kan bereiken. Er kan een verschil zijn tussen deze onderwijscultuur en de cultuur van de gezinnen waar kinderen in opgroeien.

    De discussie:
    Mw. Goorhuis-Brouwer uit volgens mij vooral zorg over de wijze waarop deze ‘normen’ aan jonge kinderen worden ‘opgelegd’, en waar het niet halen van de normen automatisch wordt geinterpreteerd als een ‘stoornis’, in plaats van de geformuleerde normen ter discussie te stellen. Tegen welke meetlat zetten we de ontwikkeling van jonge kinderen af, en hoe beoordelen we wat en hoe kinderen op welk moment in hun jonge jaren leren?

    Ik ben erg geinteresseerd in hoe observatie pedagogisch medewerkers, leerkrachten maar ook ouders kan helpen beter zicht te krijgen op wat jonge kinderen doen, wat ze willen leren, wat ze aan het leren zijn en al kunnen. Ik ervaar het als een boeiende en verrassende ontdekkingsreis wat je heel jonge kinderen al ziet doen. Ontwikkelings- en hersenonderzoek van de jaren verrast ons nog steeds met wat heel jonge kinderen al kunnen. Tegelijkertijd weten we dat ‘kijken’ (observeren) voor een belangrijk deel wordt bepaald door dat waar wij naar hebben leren kijken, en hoe wij dat hebben leren interpreteren. Stimuleren we bij ‘het leren kijken’ het zoeken naar gedrag dat mogelijk wijst op een stoornis? Of stimuleren wij het kijken naar het verloop van de ontwikkeling op algemene basisvaardigheden die een kind zich in de eerste 6 levensjaren eigen gemaakt moet hebben om straks met succes in het basisonderwijs aan het formele leren te kunnen beginnen? Het kan dan gaan om het zich veilig voelen bij een andere verzorger, zonder dat vader of moeder erbij is. Of het leren samen te spelen met andere kinderen. Te begrijpen wat je met boekjes, plaatjes en schrijven allemaal kunt doen, zonder dat je al hoeft te kunnen lezen of schrijven? Of zijn beide invalshoeken belangrijk, maar moeten we vooral beter zoeken naar de best passende normen voor het voorbereidend leren en het moment waarop je van het brede ontwikkelingsperspectief overstapt op het zoeken naat stoornissen?

  7. Saskia Visser zegt:

    Ik ben het ook van harte eens met mevrouw Goorhuis dat aanbod aan kleine kinderen vooral heel natuurlijk moet zijn en passend in hun spel. En dat er gewoon verschil kan zijn tussen kinderen, zonder dat we ons direct zorgen hoeven maken. Deze vrijdag nog een Turks kamerlid van zichzelf horen zeggen dat hij een kind met achterstanden was, omdat zijn ouders Turks spraken. Gelukkig zei hij zelf ook dat het wel goed met hem was gekomen. Maar dat je begint met te denken dat je een achterstand hebt, lijkt me niet goed voor het zelfvertrouwen. Hij had bovendien geen taalachterstand, want zijn Turks was goed!

    Toch lijkt het me niet de bedoeling dat wij als ouders hier gaan klagen over het onderwijs. Scholen zijn ook bang echte leerproblemen te missen (dat gebeurde in het verleden ook maar al te vaak, kijk naar dyslexie). Dus de drang om te toetsen is ook groot. Laten we als ouders ook de hand in eigen boezem steken en onze kinderen zichzelf laten zijn en niet het onmogelijke van ze eisen. Uitgangspunt van 10 minutengesprekken zou moeten zijn dat een kind zich plezierig voelt, niet of het de vwo+ klas wel kan halen.

  8. Gerva zegt:

    Ik hoop van harte dat vanuit dit onderzoek de discussie op gang komt hoe om te gaan met onderwijs aan jonge kinderen. Ik spreek hierbij met name over de voorschoolse periode. Voorheen mochten kinderen gewoon spelen in een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf. Ondanks heftige protesten uit het werkveld werd hier meer en meer aan getornd. Kinderen moeten een VVE programma volgen, anders ben je niet goed bezig aldus de overheid. De kwaliteit van de opvang wordt gemeten naar het wel of niet volgen van een VVE programma. Grote kolder! Kinderen in de voorschoolse periode hebben helemaal geen VVE programma nodig. Het is juist een negatief iets. Veel belangrijker is het om kinderen te stimuleren in hun sociale vaardigheden. Dit was ook altijd het belangrijkste item in de voorschoolse opvang. En dit moet het weer worden. Het leren omgaan met elkaar, het leren samen spelen, leren rekening houden met elkaar enzovoort, is de basis voor hun verdere leven. Als hier meer aandacht aan wordt besteed, worden misschien in de toekomst de normen en waarden weer wat meer gerespecteerd. Het geld dat nu gestoken wordt in de VVE programma’s kan veel beter gebruikt worden in het kleiner maken van de groepsgrootte in de kinderopvang en in het aanbieden van een grote continuïteit van de leiding. Dat is waar kinderen baat bij hebben. Zo kunnen ze zich beter ontwikkelen tot een stabiele persoonlijkhied en vandaaruit komt het leren vanzelf wel.

  9. Jolanda zegt:

    Ik ben bang dat een aantal mensen die gereageerd hebben niet helemaal op de hoogte zijn van wat het precies in houdt om met een Voor- en Vroegschoolse Educatie-programma (VVE) te werken. Zelf werk ik op een peuterspeelzaal met het vve-programma Startblokken. Onderzoeken hebben aangetoond dat peuters juist door dit programma gestimuleerd worden om hun sociale vaardigheden te ontwikkelen. Ze krijgen alle kansen om te spelen en al spelend kunnen ze allerlei vaardigheden ontwikkelen. Hoeveel mensen die gereageerd hebben, hebben in de praktijk het werken met een vve-programma gezien en ervaren? Persoonlijk vind ik het een groot voordeel om met een vve-programma te werken. Twintig jaar geleden werden peuters min of meer aan hun lot overgelaten, peuterleidsters waren aanwezig om in de gaten te houden dat er geen ongelukken gebeurden. Ik zou zeggen dat ouders daar niet voor betalen?
    Verder wil ik opmerken dat de huidige maatschappij veel complexer is geworden en dat het niet overbodig is om kinderen al op jonge leeftijd voor te bereiden op die complexe maatschappij.
    Wanneer stoppen mensen met het maken van de vergissing dat het werken met een vve-programma inhoud dat jonge kinderen aan een tafeltje een werkje moeten maken en niet meer mogen spelen? Verdiep je eerst eens in de inhoud van een programma en reageer dan op de inhoud. Wij leren peuters echt niet leren lezen, maar leren spelen. Verven, plakken, kleien, lekker buiten spelen.
    Dankzij het vve-programma weten kunnen leidsters juist heel gericht met de peuters spelen. Inderdaad, iedere peuter ontwikkelt zich in haar of zijn eigen tempo. Door de vve-programma’s is het spelen geen eenheidsworst maar juist afgestemd op iedere peuter individueel. Lijkt mij dat ouders daar juist alleen maar tevreden over kunnen zijn.

  10. Aletta Bos zegt:

    Ik, als juf, kom dit probleem maar al te vaak tegen in de praktijk! Wat fijn dat het nu ook ” gezien” wordt door deskundigen! Wat een verademing. Nu alleen nog een regering die dit ook inziet!

  11. Ellen zegt:

    Herkenbaar!
    Onze zoon heeft ook een aantal jaren “gedragsproblemen”gehad, ritalin werd aanbevolen.
    Maar als je niet mee kunt komen op school omdat je naast dat je zwaar dyslextisch bent, je veel (medisch) hebt meegemaakt, je daarvan in de war raakt. Dan is er gelukkig nog speciaal onderwijs en daar floreert onze zoon gelukkig nu wel!
    Weer een opgewekt mannetje uit zijn bed ‘s morgens ipv een zwaar gestressed en gefrustreerd kind.

  12. Deze problemen komen helaas veel voor in de praktijk, terwijl het helemaal niet nodig is….laat een kind kind zijn!
    Ik ben het helemaal eens met Mevr. Goorhuis-Brouwer. Het hoge aantal percentage kinderen dat niet lekker in zijn vel zit, kinderen die de boot missen, gelabeld worden etc…spiegelt ons dat het anders moet. Ik ben een moeder die weet dat het anders kan, veel natuurlijker en begripvoller dan wij en onze kinderen en nu nog vele ouders en kinderen meemaken. Ik zet me nu niet alleen meer in als moeder voor mijn kinderen, maar als moeder voor alle kinderen voor positief opvoeden, passend onderwijs en hulpverlening naar behoefte voor elk kind.

    In samenwerking met een aantal organisaties (vers van de pers – komt in de volgende nieuwsbrief uitgebreid aan bod die als ambassadeur optreden) richten wij ons op gezinnen, onderwijs, hulpverlening en overheid. Ik zou graag met U, Sieneke in contact komen.

    De Burgemeesters Henk van Beers en Hubert Bruls zijn onze Beschermheren. Lees en Teken Het Christoffel Appèl op http://www.onzekinderenzijndetoekomst.nl/christoffelappel.php Het landelijke Burgerinitiatief waarin het welzijn van het kind centraal staat.

    Dankuwel voor uw tijd en betrokkenheid voor het Welzijn van de kinderen van Nu.
    Hartelijke groet, Ingrid Rouleaux initiatiefneemster
    Campagne Onze kinderen zijn de Toekomst – samen staan we sterk
    i.rouleaux@hetnet.nl

  13. Etteke de Boer zegt:

    Geweldig dat dit eens door een hoogleraar wordt gezegd.
    Voor wie het nog niet wist: er is voor peuters en kleuters een goedbedoelde boekjesserie op de markt met de naam “Little Einstein”. Een hilarische titel want de bedenkers hebben over het hoofd gezien dat Einstein tot ongeveer zijn vijfde nauwelijks zijn mond opendeed en voor half achterlijk werd versleten.

  14. Annet de Jong zegt:

    Kinderen laten spelen lijkt me duidelijk. Ook wij werken met een VVE programma en we vullen het op onze manier in: we gebruiken piramide als bronnenboek met zeker wel leuke tips. Maar wij vullen het op onze manier voor de kleuters in en we geven de kinderen de ruimte om te spelen. As je het thema water neemt, dan is het heel erg leuk om in de huishoek ramen te laten lappen en kinderen te laten afwassen en poetsen. Gewoon spelen dus. En tegelijkertijd “leren” we woordjes als schuim, zeem en leer aan. In het spel. Door de thema’s (die we altijd al hebben gehad, dus niks nieuws onder de zon!) kan je kinderen op een positieve manier prikkelen in hun spel. We weten heel goed wat we doen en waar we mee bezig zijn. En observeer lekker die spelende kinderen.
    Daar haal je van alles uit. Ik benijd Yvonne niet: wat een drama van een leerkracht. Kinderen ontwikkelen zich verschillend en het is de kunst om dat te zien. En die lat moet vooral hoger…. Net alsof we dat nog nooit hebben gedaan. Je speelt toch altijd in op wat kinderen kunnen en dan geef je toch ook een “stapje” meer! En dan de nieuwe Cito toetsen. Ik zou van Sieneke Goorhuis wel eens willen weten hoe we naar de inspectie toe (want daar hebben we toch mee te maken) ons standpunt duidelijk kunnen maken. In ieder geval richtlijnen. Maar ook je eigen directeur, ib-er enz. dat duidelijk maken is nog een
    hele kunst. Ik heb ze het boek van Sieneke Goorhuis laten lezen : Alles
    op zijn tijd
    . Reactie: we moeten toch niet 30 jaar terug in de tijd. Ik word daar zo moe van. Maar mijn kleuters, en ook die van mijn collega’s kleuterbouw, mogen zich gewoon lekker ontwikkelen en wij zorgen voor passend onderwijs ! O ja een bekende kreet! Is zo oud als….

    • Beste Annet,

      Je kunt de vereniging het jonge kind erachter zetten. http://www.verenigingjongekind.nl
      En Natuurlijk willen we niet 30 jaar terug. We willen vooruit!

      Hierbij een stuk wat ik net heb gemaakt voor de Wereld van het jonge kind, waarbij ik bevindingen uit wetenschappelijk onderzoek heb samengevat

      SPELEND LEREN EN LEREND SPELEN

      Prof.dr. Sieneke Goorhuis-Brouwer
      Orthopedagoog/spraakpatholoog
      UMCG

      De inhoud van een van de laatste nummers van de Wereld van het Jonge Kind bracht mij volledig in verwarring (HJK februari 2011). Er stonden bijdragen in die benadrukten dat een programmatische aanpakvoor peuters en kleuters zeer goed was (Optimale kansen voor kinderen). Er stonden ook bijdragen in waarin het vrije spel werd gepromoot ( Spel of schoolse vaardigheden?).
      Wat moeten we toch met onze jonge kinderen? Volgens mij heeft iedereen goede bedoelingen, maar ontbreekt een helder idee hoe kinderen zich ontwikkelen.
      In deze bijdrage ga ik niet mijn eigen ideeën hierover weergeven, maar vat ik voor u samen wat recent wetenschappelijk onderzoek hierover heeft aangetoond.

      De waarde van taalprogramma’s voor de verbetering van de taalontwikkeling.

      De taalkundige Marjolein Deunk onderzocht het taalgebruik van peuters bij verschillende activiteiten: fantasiespel, geletterdheidsactiviteiten, knutseltaken en vrij knutselen. Haar proefschrift: Discourse practises in preschool (2009) toonde aan dat kinderen tegen leerkrachten ander taalgebruik hanteren dan tegen leeftijdgenootjes in vrij spel.
      Het blijkt dat kinderen complexere en langere taalhandelingen gebruiken in interacties met groepsgenoten en tijdens fantasiespel. Met complexere taalhandelingen wordt bedoeld dat kinderen spreken over hun gevoelens en over onderwerpen buiten het hier en het nu. Ze kondigen aan wat ze straks gaan doen( ik ga pannekoek maken en die gooi ik heel hoog!) en ze nemen een rol aan in fantasiespel (ik was de prins) Ze formuleren regels, en denken hardop na over de dingen om hen heen. Ze maken belofte n en geven uitgebreid antwoord op vragen.
      Spelen met andere kinderen in fantasiespel leidt dus tot rijk taalgebruik.
      Tijdens de interacties met de leidsters tijdens geletterdheidactiviteiten gebruiken kinderen juist mindere complexe taalhandelingen en zijn de zinnen die ze spreken kort. Ze geven korte antwoorden op vragen en ze geven beschrijvingen in het hier en het nu, bijvoorbeeld door een plaatje in een boek te benoemen. In de interactie met de leerkracht komt het kind dus niet verder dan tot responsief taalgebruik.

      De orthopedagoog Annne Keegstra onderzocht de effecten van de taalstimuleringsprogramma’s Startblokken en Schatkist op de taalontwikkeling van 123 kleuters uit groep 1. Zij kwam in haar proefschrift Language problems in Young children: general assumptions investigated (2010) tot de conclusie dat de meeste autochtone kinderen (70%) hun eigen ontwikkelinglijn in de taalontwikkeling blijven volgen. De relatieve stabiliteit van het tempo van de taalontwikkeling was eerder door de Belgische onderzoekster Inge Zink ook al aangetoond. Dit betekent dat voor de meeste autochtone kinderen een A,B,C,D,of E- Cito score de ontwikkelingslijn kan zijn: een C-score is ook na een jaar Schatkist of Startblokkken nog een C score.
      Alleen de allochtone kinderen die met een taalachterstand in groep 1 waren binnen gekomen (44% van de allochtone kinderen) gingen significant vooruit. Deze kinderen die tot aan groep 1 onvoldoende waren blootgesteld aan de Nederlandse taal haalden hun achterstand hierin in.
      De vraag kan gesteld worden of dit niet ook gebeurd was als ze gewoon waren ondergedompeld in de Nederlandse taal.

      De effecten van het oefenen van voorwaarden voor het leren lezen.

      De orthopedagoge Mariannne Eleveld concludeerde in haar proefschrift At Risk for dyslexia (2005)het volgende aan:
      Vier jaar onderzoek leverde het inzicht op dat het waarschijnlijk effectiever is de leesvaardigheid zelf te trainen, in plaats van de kleuter met een risico voor dyslexie via leesgerelateerde vaardigheden de lange trap naar de leesvaardigheid te laten beklimmen.
      De resultaten uit dit proefschrift kunnen als volgt worden samengevat:
      - Interventie in groep 1 m.b.t. fonologische vaardigheden, letterkennis en benoemsnelheid, leidde niet tot een verbetering van leesgerelateerde vaardigheden
      - Benoemsnelheid lijkt een cognitieve vaardigheid die moeilijk met een training te verbeteren valt.
      - Training in het eerste kleuterjaar heeft geen ondersteunende waarde voor de training in het laatste kleuterjaar
      - Transfer affecten van de training in groep 1 en/of 2 op de lees- en spellingvaardigheid in groep 3 werden niet gevonden.
      Kortom oefenen van letterkennis draagt niet bij aan de snelheid van het leren lezen in groep 3.
      Ook de linguïst Roel van Steensel vond in zijn proefschrift Voor- en vroegschoolse stimuleringsactiviteiten en geletterdheid (2006) dat de kinderen die het programma Opstap opnieuw hadden gevolgd daar bij de start van het formele onderwijs in groep 3 niet echt profijt van hadden. Hij stelt: De VVE trein is geen hoge snelheidstrein en het spoorwegnet verdient zorgvuldig onderhoud
      Met dit spoorwegnet bedoelt hij dat een goede scholing van leerkrachten op de voorgrond moet staan.

      De linguïste Coosje van der Pol ontdekte in haar proefschrift Lezen als literatuur (2010) dat het voorlezen van prentenboeken, waarbij het om het leren luisteren naar spannende verhalen gaat, een belangrijke voorwaarde is voor de literaire beleving. Literaire beleving zorgt voor leesplezier en dat vormt de basis om zelf ook aan het leesproces te willen deelnemen. Centraal bij de literaire beleving staat het besef dat verhalen verzonnen zijn, en het verwerven van inzicht in de structuur van verhalen. Interactie vindt achteraf met de kinderen plaats, niet tijdens het voorlezen zelf. Interactief voorlezen, dat naast het verhaal gericht is op woordenschat ontwikkeling, verstoort de verhaallijn.
      Woordenschatontwikkeling gebeurt tijdens het voorlezen impliciet. Voor de kleuterleeftijd betekent leesplezier opgaan in de tekst via beleving, identificatie en verbeelding.
      Wanneer we kinderen dus willen voorbereiden op het latere leren lezen hebben ze meer aan de beleving van spannende verhalen (ook goed verteld) , dan aan op letterkennis en woordenschat gerichte activiteiten

      Conclusie

      De vijf proefschriften geven allen op hun eigen manier aan dat kinderen meer leren van hun verbeelding en van hun eigen intrinsieke spel dan van door ons bedacht methoden.
      Laten wij dan aan die verbeelding de ruimte geven door voor lezen en ruimte te creëren voor fantasiespel.
      Wanneer, door het voorlezen, de literaire beleving is gevoed zullen kinderen met enthousiasme aan het leesproces beginnen en, als ze eenmaal vlot kunnen lezen, zelf boeken ter hand pakken. Met een boek gaan ze op avontuur.
      Creatief spel is essentieel voor de fysieke, emotionele en cognitieve groei van jonge kinderen. Het levert ook een grote bijdrage aan de taalontwikkeling, de sociale vaardigheden en de probleem oplossende vermogens en legt daarmee de basis voor het latere schoolse leren.
      Dit betekent dat we meer moeten kijken naar het spoorwegnet dan naar de VVE trein zelf. En dat betekent meer aandacht voor de opleiding van leerkrachten van het jonge kind.
      Een opleiding waar de nadruk ligt op de totale ontwikkeling van het jonge kind. Een opleiding waarbij het belang van spelen, aanmoedigen, steunen wordt benadrukt en waarbij de eigen creativiteit van de leerkracht ook ten volle gesteund wordt.

  15. Annet de Jong zegt:

    Beste Sieneke Goorhuis. Bedankt voor je reactie. Via via al lid van de vereniging het jonge kind en mijn medestudenten (opl. rt/ib kleuterbouw in Utrecht) ook lid laten worden. Allemaal mensen die weten waar ze het over hebben als het over kleuters gaat (ook onze docenten). Maar die met de inspectie in gesprek moeten en daar hebben we best wel tips en goede argumenten bij nodig. De opmerking “geen 30 jaar terug” kwam van mijn directie. En dat is in de samenwerking wat het zo ingewikkeld maakt om voet bij stuk te houden, terwijl we heel goed weten wat we doen.
    Maar ik geniet nog steeds van mijn kleuters !

  16. Sheila Smeding zegt:

    Wat we met onze jonge kinderen moeten? We moeten ze eindelijk eens serieus gaan nemen en stoppen ze aan te willen passen aan volwassen behoeften! Het huidige opvoedingsklimaat is sterk gericht op conditionering van kinderen, waarbij belonen en straffen worden gebruikt om gewenst gedrag te stimuleren. Aan onderliggende emoties en behoeften van kinderen wordt massaal voorbij gegaan. De overheid heeft miljoenen in een triple P project gestopt om ouders toch vooral maar op te voeden in het ‘africhten’ van hun kinderen.
    In dit licht is het verhelderend om boeken als Unconditional parenting van Alfie Kohn en Luisteren naar kinderen van Thomas Gordon te lezen en als uitgangspunt voor de benadering van kinderen te nemen (trouwens ook als uitgangspunt voor de communicatie tussen volwassenen).
    De woorden van prof. Goorhuis over de veel te hoge lat en de nadruk op prestaties in plaats van op ontwikkeling en plezier in het ontwikkelen van vaardigheden zelf, zijn mij uit het hart gegrepen. Ik hoop dat u nog lang van u zult laten horen in het onderwijsdebat in Nederland!

  17. Annelies zegt:

    Dank u voor uw visie op de ontwikkeling van het jonge kind.
    Ik hoop dat we met elkaar voor verandering kunnen zorgen. Hoe is het mogelijk dat we in heel Nederland kiezen voor een methode als Puk en Ko? Waarom willen we de kinderen zichzelf laten identificeren met een gele handpop, omdat dat minder beangstigend zou zijn dan spreken tegen je eigen juf of je leeftijdsgenootjes? Ik heb kortdurend met de methode gewerkt en mocht al snel ontdekken dat niet ieder kind geboeid raakt door de ervaringen met Puk. De woorden: “jij bent een nepkindje, gewoon een knuffel” spreken boekdelen voor mij, en ik vraag me af hoe objectief de individuele observatielijst van dit kind er zou hebben uit gezien. Duidelijk werd dat hij ongestoord verder ging met het eigen spel en zich niet ging conformeren met deze gele pop.
    Verder vind ik het ook denigrerend naar de pedagogisch medewerkers en groepsleiding, mensen met grote affiniteit voor het jonge kind, die juist vanuit hun eigen talent en creativiteit werken aan een veilige sociaal-emotionele sfeer in een groep, waarin het individuele kind de ruimte krijgt zich te ontplooien. (Hetzelfde geldt voor de invoering van Triple P.).

  18. Maryanne zegt:

    Vorige week was Sieneke Goorhuis in omrop fryslan. Hier wilde ik wel wat meer informatie over weten. En toen ik mij ging verdiepen in de ontwikkeling van het jonge kind, in de visie van Sieneke Goorhuis voelde ik een blijk van herkenning. Dit is wat je ieder kind gunt, vanuit deze sfeer kan een kind zich ontplooien. Zelf ben ik moeder van drie
    kinderen en tevens ben ik werkzaam als pedagogisch medewerkster in de kinderopvang. Bij één van mijn eigen kinderen heb ik meegemaakt
    hoe het voelt als een kind vastloopt. Door goed naar mijn kind te kijken en te luisteren hebben we uit eindelijk voor een andere school gekozen. Hij ging weer met plezier naar school en kon zich weer ontplooien. Zo ging hij in één keer van leesnivo 4 naar leesnivo 7. Voor iemand met dyslexie is dit een mooie vooruitgang.
    Dit geeft dan ook duidelijk aan als kinderen mogen gaan vanuit hun zelf in een fijne omgeving, ze zich zelf ook daadwerkelijk gaan ontplooien. Wat mij betreft mag iedere school, maar ook peuterspeelzaal en kinderopvang deze belangrijke fase niet onderschatten. Er is meer dan alleen leren. Het is van groot belang dat een kind lekker in zijn vel zit en zich zelf mag zijn en uiten. Aan ons de taak om daar een bijdrage aan te leveren. Mensen als Sieneke Goorhuis geven hierin een prachtig handvat.